top of page

Herman op school

Schooltijd - Eerste Communie

Wanneer Herman vijf jaar is, begint hij in het Sint-Eduardusinstituut het eerste leerjaar. Hij is er heel blij mee en behaalt ondanks zijn jonge leeftijd uitstekende resultaten.

In het tweede leerjaar doen de kinderen die zeven jaar zijn hun eerste Communie. Herman, die elke dag met zijn papa naar de Heilige mis gaat, zou ook graag zijn eerste Communie doen en vraagt het zijn vader. Na lang aandringen verwijst die hem door naar de pastoor en die stemt toe. Op 14 juni 1937 doet Herman zijn eerste H. Communie. Zoals alle kinderen is hij fier op zijn wit pakje. Hij bekijkt zich in de spiegel, glimlacht en knipoogt naar zijn spiegelbeeld. Wanneer hij met zijn schoolkameraadjes de kapel binnenstapt, voelt hij zich als in de hemel. Het altaar straalt van licht en is zo mooi versierd met rozen en witte hortensia's. Gedurende de Mis is hij helemaal bij zijn grote Vriend Jezus. Hij zal vanaf nu elke dag te Communie gaan, wat voor hem "een groot geluk" betekent.

Na zijn eerste Communie wordt zijn volgende wens onmiddellijk ingewilligd wanneer broeder Elianus hem vraagt of hij ook Eucharistisch Kruistochter wil worden. Zijn geluk kan niet op en een hele dag spreekt hij over niets anders. Hij heeft een bijzondere verering voor O.L.Vrouw hulp der Christenen en schrijft op al zijn schriften haar initialen "O.L.V. h.d.c.".

Anekdote: versierd

Op een mei-dag vraagt Herman aan zijn mama of ze bloemen wil kopen voor het Mariabeeldje. Ze vergeet het echter.

Hij trekt dan maar naar zolder en haalt daar wat hij vindt om de kerstboom mee te versieren: engelenhaar, zilverslingers, sterren. Hij wikkelt het beeldje in al deze blinkende spullen zodat enkel haar gelaat nog zichtbaar is.

Hij is tevreden: zo is O.L.Vrouw ook mooi versierd.

Schooltijd - misdienaar

Wanneer Herman zes jaar is, komt een kentering in het voorspoedige leven van het gezin. De vooroorlogse crisisjaren en daarna de oorlog zelf maken dat het welgestelde gezin in armoede vervalt. Zogenoemde vrienden blijven weg en vaak is er honger. Hun kind lijdt eronder, maar wil zijn ouders ontzien en is thuis vrolijk. Wanneer een broeder Herman vraagt hoe hij zijn nieuwe woning vindt, zegt hij "Donker Broeder, maar als men lacht wordt het helder en mooi."

Het lijkt dat in deze periode zijn innerlijke leven meer en meer openbloeit. De gewoonte groeit om zich tussen 19 uur en 20 uur op zijn kamer terug te trekken om te bidden, een kind van zeven. Nu Jozef Wijns geen werk heeft, gaat hij elke ochtend samen met zijn zoontje naar de kerk. Iedere avond bidden ze samen het rozenhoedje voor het Heilig Hartbeeld, waar steeds een godslampje brandt.

Er zijn talrijke voorbeelden van zijn uitzonderlijke trouw aan de Eucharistie en strengheid voor zichzelf zowel qua studies als qua lichamelijke ongemakken. Hij heeft veel meer dan andere kinderen aandacht voor armen, kinderen in nood en in hoge mate voor het zieleheil van mensen. Hij heeft een grenzeloos vertrouwen in Gods bescherming, zelfs in tijden van oorlog.

Wanneer hij negen jaar is, wordt hij - weeral na zwaar aandringen - misdienaar, een jaar te vroeg. Hij heeft het in zijn zakagenda opgeschreven en nodigt familie, vrienden en kennissen uit om naar de Mis te komen waar hij voor het eerst misdienaar is. Van grootmoeder Dens krijgt hij een missaal. Hij steekt een 20-tal prentjes elk op de plaats waar een gebed staat dat er betrekking op heeft.

Anekdote: te veel

Thuis doet Herman regelmatig fictief de mis op zijn papa's bureel. Als missaal heeft hij een groot dik boek voor hem dat dient als decorum en daarop zijn kerkmissaal. De hostie is een grote ouwel van de apotheek.

Hij doet de mis zo vaak achter elkaar dat zijn mama moet zeggen "Herman, kom nu maar eten en laat die "Oremus" nu maar rusten."

"Ja", zegt Herman, "ik moet nu wel stoppen want mijn maag is gezwollen." Dat was van al die ampullen uit te drinken voor al zijn missen.

Schooltijd - Eucharistisch Kruistochter

Al is het min 20°C, al liggen zijn voeten volledig open, al is het tijdens de oorlog gevaarlijk op straat omwille van afweergeschut, niets houdt Herman tegen om elke dag naar de mis te gaan.

Hij is extreem consequent tijdens de vasten en eet vrijdag geen vlees hoewel deze versterving door de kerk tijdens de oorlog afgeschaft was. Elke eerste vrijdag van de maand eet hij enkel water en brood. Zijn leven is meer en meer gericht op dienstbaarheid en offers brengen. Dit kan betekenen geen ijsje voor zichzelf maar voor een arm kind kopen. Het kan betekenen een spel met zijn makkers meespelen dat hij niet graag doet. Het kan betekenen in de zomer niet mee naar de buiten gaan om in elke begrafenisstoet te kunnen bidden.

Na drie jaar proeftijd wordt Herman plechtig ingelijfd als Eucharistisch Kruistochter. Met zijn spaarcentjes laat hij zich fotograferen: Het ereteken van de E.K. op zijn winterjas gespeld, die hij zelf met het plooien van folders verdiende.

Hij spoort mensen aan tot bidden en volgt misvieringen voor mensen die niet naar de kerk gaan. Hij probeert thuis een zonnetje te zijn en zijn best te doen op school, hij heeft aandacht voor arme kinderen en diegenen in nood. Hij heeft een geestelijke gesteldheid die men normaal niet vindt bij kinderen van die leeftijd en - eigenlijk - ook niet bij volwassenen. Hij probeert het goede te doen en is vol vertrouwen in God.

Mensen houden van hem en naarmate hij ouder wordt, gaan ze - naast zijn vrolijke aard - ook nog iets anders aantrekkelijk vinden, iets dat moeilijk definieerbaar is, "het anders-zijn".

De missionaris die hem in een aureool van licht ziet, de onderpastoor en de pastoor die getroffen worden door de diepte van zijn kinderziel, de politiecommissaris die geraakt wordt door zijn aangename uitstraling, de winkelier wiens dag goed gemaakt wordt als Herman langskomt, de deftige dame die een les in nederigheid krijgt, de hevig ontroerde pater die Herman niet laat knielen, de jongen die niet doodbloedt omdat Herman de wond toehoudt, de zigeunerin die als gelijke behandeld wordt, een oudere schoolkameraad die hem wijs vindt, de buurman die leert bidden: Op zijn levensweg passeert het kind Herman Wijns een stoet mensen die door hem geraakt worden op een dieper niveau.

Anekdote: licht

Pater Janssens gaat met Herman naar de zusters in het klooster om er de mis op te dragen. Buiten woedt de storm en beiden worden verrast door de ijskoude wind en striemende regen.

De pater slaat zijn grote mantel om Herman heen en trekt hem tegen zich aan. Deze geste maakt Herman diep gelukkig en thuis vertelt hij dit wonderbare: "Onder de mantel van een priester te mogen gaan!".

In de namiddag brengt de pater een bezoek aan de ouders en zegt:" Ik ben vergrijsd in het priesterschap, maar ik ben nog nooit zo onder de indruk gekomen van een misdienaar. Wat een ingetogenheid! Wanneer ik me omdraaide bij het "Orate Fratres" zag ik hem in een aureool van licht."

EK_schildje.jpg
bottom of page